logo

Nederlandse Vereniging van Historische Onderzoekbureaus

Toen ik in de jaren zestig op school zat, strompelde de Koude Oorlog van crisis naar crisis: de Berlijnse muur, Cuba, de inval in Tsjecho-Slowakije. Twintig jaar later was er van acuut gevaar geen sprake meer. Er waren wel liedjes als ‘De Bom’ van Doe Maar en enorme demonstraties tegen de plaatsing van kruisraketten, maar angst voor een Russische aanval? Ik kan me er niets van herinneren.

Maar wat een misvatting! Wat er ook fout was met onze West-Europese democratieën, de vijand zat wel in het oosten. Wij hadden er nauwelijks last van, de bevolking van landen als de DDR, Polen en Hongarije des te meer. Voor hen bleef het ‘reëel bestaande socialisme’ tot 1989 een gevangenis.

Dit besefte ik weer eens bij het lezen van de trage roman ‘Kruso’ van de (Oost-)Duitse schrijver Lutz Seiffert.

Hoofdpersoon student Edgar probeert nadat zijn vriendin is verongelukt, zijn leven te herpakken en dat doet hij door de maatschappij zijn rug toe te keren. Hij reist in de lente van 1989 van zijn woonplaats Gera naar het eiland Hiddensee in de Oostzee, een uithoek van de DDR vol drop-outs en verloren zielen. In de afwaskeuken van hotel Zum Klausner hervindt hij zijn draai. Maar 1989 is het jaar waarin de DDR als een reus op lemen voeten ineenzijgt. In de in zichzelf gekeerde wereld van Hiddensee dringt dit nieuws maar langzaam door, maar zodra de bewoners in de gaten krijgen dat de grenzen open zijn, vertrekken ze in groten getale.

Onder dit politiek-maatschappelijke verhaal zit nog een diepere laag. Hiddensee was ook de uitvalsbasis voor mensen die de DDR probeerden te ontvluchten door naar Møn te zwemmen, een Deens eiland dat vijftig kilometer verderop ligt, maar door zijn witte krijtrotsen vanaf Hiddensee te zien is. Een onbekend, maar ongetwijfeld hoog percentage van deze zwemmende vluchtelingen heeft de vrijheid nooit bereikt. In zijn nawoord beschrijft Seiffert zijn speurtocht naar de plaats waar de resten van omgekomen zwemmers worden bewaard. Hij belandt in een forensisch mortuarium in Kopenhagen, waar hij een lijst met beschrijvingen te zien krijgt: ‘voet in schoen (…); rest van het lijkt ontbreekt‘, ‘torso van man; hoofd en arm 4 kilometer verderop’.

Voor ons Nederlandse kinderen uit de jaren zestig waren de vopo’s die mensen, die over de Berlijnse muur probeerden te vluchten, neerschoten, zowat de meest verachtelijke mensensoort die er bestond. Van hun slachtoffers is tenminste de naam en het lot bekend. De zwemmende vluchtelingen van Hiddensee zijn naamloos verdwenen en tot de verschijning van Kruso ook vergeten.

Rob Wolf